Welcome to your Hoofdstuk 1+2+3 / Handboek ACT - Inleiding in de oedeemreductie

Wat is de meest complete of correcte opsomming van delen van het lymfesysteem?

Wat zijn de belangrijke functies van het lymfesysteem?

Hoe wordt interstitieel vocht door de lymfebanen opgenomen?

Wat is ‘chyle’ en wat is de functie ervan?

Wat is de belangrijkste functie van een lymfeknoop en hoeveel lymfeknopen zijn er in het lichaam?

Wat zijn huidterritoria?

Wat is een lymfecollector en wat zijn lymfangionen?

Wat is de ductus thoracicus?

In hoeverre loopt de afvoer van lymfe links in het lichaam anders dan rechts?

Waar komt de lymfe in de bloedbaan terecht?

Is deze lijst van belangrijke kenmerken die de ernst van een lymfoedeem kunnen aangeven compleet?

  • Mate van de zwelling
  • Indrukbaarheid van de zwelling (pitting / non-pitting)
  • Verandering in onderhuids weefsel (oneffen structuur, fibrosering / verharding)
  • Vormverandering, b.v. van ledematen

Is onderstaande ISL-classificatie voor de extremiteiten correct weergegeven?

  • Stadium 1: < 20% (milde zwelling). Stapeling van eiwitten in oedeem. Hoog leggen been kan helpen.
  • Stadium 2 – vroeg: 20-40% (matige zwelling). Pitting oedeem en hoog leggen helpt niet meer. Vetweefsel kan hypertrofisch worden.
  • Stadium 2 – laat: 20 – 40% (matige zwelling). Pitting of zelfs non-pitting oedeem. Adipositas kan optreden.
  • Stadium 3: > 40% (ernstige zwelling). Er ontstaat pitting / non-pitting adipositas, fibrosering onderhuids weefsel en verdikking van de huid.

Treedt fibrosering altijd pas in Stadium 3 van de ISL-classificatie op?

Welke handelingen voer je uit bij de Test van Godet?

Welke opsomming is de juiste weergave van de gradaties van de Test van Godet?

Welke klinische diagnostiek kan gebruikt worden voor het midline oedeem?

In het Handboek deel 3 wordt een lijst van technische diagnostische hulpmiddelen voor lymfoedeem genoemd. Is onderstaande lijst compleet en zijn ook de omschrijvingen correct?

  • Lymfescintigrafie of lymfescanning het inspuiten met een radioactieve isotoop in de voet waarmee de verplaatsing van lymfe met een gammacamera nauwkeurig gevolgd kan worden.
  • Echografie (B-mode echografie) (GOUDEN STANDAARD voor diagnostiek benen): dit is het meest gebruikte, eerste onderzoek om de aard van een oedeem vast te stellen.
  • Een variant hierop is de ultrasonografie die met hoogfrequente en sterk gerichte geluidsgoven werkt. De locatie en verspreiding van een oedeem geeft inzicht of het een vocht- of lipoedeem betreft en of een DVT aanwezig is.
  • Bij directe lymfografie wordt er een radioactieve isotoop geïnjecteerd in een lymfevat waarna röntgenfoto’s worden gemaakt.
  • Computertomografie (CT-scan): met behulp van röntgenstralen vanuit verschillende hoeken genereert een computer gedetailleerde beelden van organen, beenderen en ander weefsel.

Therapeuten gebruiken soms niet-invasieve diagnostische hulpmiddelen om de mate en ernst van een lymfoedeem vast te stellen. Klopt deze stelling en in welke situaties worden niet-invasieve diagnostische hulpmiddelen met name ingezet en hoe werken deze hulpmiddelen?